Vanaf 2027 gaat ABP over naar het nieuwe pensioenstelsel. Op de NPB-website duiken we dit jaar in de belangrijkste consequenties daarvan. Om te beginnen: krijg je straks evenveel pensioen als onder de huidige regels en hoe zit het met de risico’s?
De verwachting is dat het pensioeninkomen vanaf 2027 gemiddeld genomen wat hoger wordt dan nu. In het nieuwe stelsel zijn namelijk minder grote buffers vereist. Nu mag een pensioenfonds pas indexeren als de dekkingsgraad 105 procent of hoger is. (Zonder inmenging vanuit de vakcentrales was die wettelijke buffereis zelfs 110 procent geweest.) In het nieuwe stelsel mogen beleggingsrendementen sneller worden uitgekeerd aan de deelnemers. Daar staat tegenover dat ook verliezen sneller verrekend moeten worden. Dat mag wel gespreid over meerdere jaren gebeuren. Bovendien kunnen de pensioenen indien nodig bijgespijkerd worden vanuit een buffer die speciaal voor dat doel wordt aangehouden, de zogenaamde solidariteitsreserve.
Uiteenlopende pensioenopbouw
Een belangrijke verandering in het nieuwe stelsel is de manier waarop de pensioenopbouw plaatsvindt. Alle deelnemers blijven jaarlijks hetzelfde percentage aan premie betalen – een zogenaamde doorsneepremie. Maar jongeren krijgen in ruil voor hun doorsneepremie voortaan een hoger (jaarlijks) percentage aan pensioenkapitaal toegekend dan ouderen.
De logica daarachter is simpel: een euro die een jongere inlegt bij een pensioenfonds heeft veel langer de tijd om financieel rendement op te leveren (en daarna door te groeien via weer nieuwe beleggingen) dan een euro die door een oudere wordt ingelegd.
Door de langere opbouwtijd kan de inleg van jonge deelnemers in risicovollere beleggingen worden gestoken, zoals aandelen en vastgoed. Die leveren doorgaans meer rendement op en er is genoeg tijd om tussentijdse beursdips op te vangen. Vanaf 45 jaar wordt het risico vervolgens geleidelijk afgebouwd door obligaties aan de beleggingsportefeuille toe te voegen.
Eerlijker systeem
De tot nu toe gebruikelijke doorsnee-opbouw – alle deelnemers elk jaar hetzelfde percentage pensioenkapitaal erbij – was niet zo’n probleem in de tijd dat de meeste mensen hun hele leven bij dezelfde baas bleven werken. Maar anno 2026/2027 wringt dat systeem met de dynamiek van de arbeidsmarkt. Deelnemers veranderen vaker van baan of gaan uit loondienst om te werken als zelfstandige. In dat geval grijpen ze dus naast een relatief groot deel van het rendement dat het pensioenfonds in de loop der jaren kan blijven boeken op basis van hun inleg. Daardoor wordt de huidige doorsnee-opbouw niet meer als eerlijk ervaren.
Dit systeem wordt dan ook losgelaten. Voortaan wordt het percentage dat je in een jaar aan pensioen opbouwt bepaald door het aantal jaren dat je ingelegde premie nog rendement kan opbrengen. Als jongere bouw je daardoor het meeste werknemerspensioen op. Die opbouw vermindert naarmate je ouder wordt.
Compensatie 40- tot 50-jarigen
Het verantwoord doorvoeren van deze verandering vereist extra aandacht voor de pensioenopbouw van de huidige 40- tot 50-jarigen. Zonder aanvullende maatregelen krijgen die deelnemers vanaf 2027 voor hun jaarlijkse inleg minder pensioenopbouw terug, waardoor hun uiteindelijke pensioenvermogen (flink wat) lager kan uitvallen dan verwacht. Om dat te voorkomen hebben de werkgevers, de bonden en ABP voor deze groep een speciale compensatie afgesproken.
Dat bedrag kan echter (deels) in gevaar komen als je het komende jaar op een onhandig moment een carrièreswitch maakt, voor jezelf gaat beginnen of minder uren gaat werken. Daarop gaan we in een komende aflevering van Pensioenzaken dieper in.
En de risico’s?
En hoe zit het nou met de risico’s, als de afhankelijkheid van beleggingsrendementen toeneemt? Die lijken te gaan meevallen, zegt Roelf van der Ploeg, vertegenwoordiger in de ABP Pensioenkamer namens de ACOP – de ambtenarencentrale waarbij ook de NPB is aangesloten. De riskantere beleggingen worden sterk afgebouwd naarmate de pensioenleeftijd nadert, waarmee de zekerheid over het beschikbare pensioenvermogen toeneemt. Eventuele beursverliezen worden bovendien over meerdere jaren gespreid en de pensioenuitkeringen worden dan aangevuld uit de solidariteitsreserve van ABP.
Nabestaanden beter af
Een andere belangrijke verandering betreft het nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioenleeftijd. Dat wordt vanaf 2027 een risicoverzekering. Een nabestaande krijgt steevast 41 procent van je pensioengevend inkomen op het moment van overlijden. Deze uitkering hangt dus niet langer af van je aantal opbouwjaren bij ABP. Daardoor pakt zij volgens Van der Ploeg hoger uit dan nu, zeker bij een wat lager inkomen.
De overstap op een risicoverzekering heeft ook een minder gunstig gevolg. Ga je uit dienst zonder elders een ABP-pensioen op te bouwen, dan vervalt je aanspraak op het nieuwe nabestaandenpensioen na drie maanden. (Het nabestaandenpensioen dat je tot 2027 bij ABP hebt opgebouwd bij overlijden voor je pensioenleeftijd blijft ook na 2027 behouden. Bij uit dienst treden verlies je dit deel niet.) Mocht je onder het nieuwe stelsel uit dienst gaan en je nabestaandenpensioen willen handhaven, dan kun je overwegen om gebruik te maken van de mogelijkheid om deze voorziening voor eigen rekening voort te zetten.
Vanaf 2027 verbetert ook het wezenpensioen – het geld dat je kinderen krijgen als jij voor je pensioen overlijdt.
REKENVOORBEELD
Wat krijgen nabestaanden bij overlijden voor en na 1 januari 2027?Stel: John (57) is getrouwd met Margriet (52). Samen hebben ze een zoon Nick (23). John verdient € 70.000 per jaar. Hij is al twintig jaar deelnemer bij ABP. Zijn opgebouwde pensioen bedraagt € 15.000 per jaar (stand: 1-12-2026).
Als John overlijdt op 1 december 2026
Dan krijgt Margriet zolang ze leeft elke maand € 1.370
Dan krijgt Nick tot zijn 25e elke maand € 295Als John overlijdt op 1 maart 2027
Dan krijgt Margriet zolang ze leeft elke maand € 2.780
Dan krijgt Nick tot zijn 25e elke maand € 480
Hoe verder?
En hoe zit het met politieke onzekerheden? Kan het nieuwe pensioenstelsel nog afgeblazen worden? ‘Nee’, zegt Van der Ploeg stellig. ‘Dat kan niet meer. Een flink aantal andere pensioenfondsen is ook al overgegaan.’ Wel moet De Nederlandsche Bank nog toestemming geven voor de aanpak van het ABP, waarschijnlijk in mei van dit jaar.
In de tweede helft van het jaar wil het pensioenfonds zekerheid hebben dat pensioenuitvoerder APG de transitie voor elkaar krijgt. Dat ziet er volgens Van der Ploeg goed uit. APG heeft in 2025 en 2026 al twee fondsen laten invaren in het nieuwe stelsel.
Nog een belangrijk moment: in het najaar krijgen alle ABP-deelnemers een transitieoverzicht met onder meer de verwachte pensioenbedragen in het nieuwe stelsel. Ook die nemen we tegen die tijd onder de loep.
