Onderhandelingsresultaat politie-cao 2024 + 2025

Filter: Alle
Filter
Voor wie gelden de afgesproken structurele (blijvende) loonsverhogingen?

In het nieuwe afsprakenpakket zijn drie blijvende (structurele) salarisverbeteringen afgesproken. Daarbij gaat het - zoals altijd in cao-afspraken - om bruto bedragen.

  • Een verhoging van de schaalbedragen met € 100 vanaf 1 juli 2024.
  • Daaroverheen een verhoging van de salarissen met 5 procent vanaf 1 juli 2024.
  • Een verhoging van de salarissen met 2 procent vanaf 1 januari 2025.

Deze salarisverhogingen volgen op de structurele salarisverbetering met 2 procent vanaf 1 januari 2024, die in de huidige cao al was afgesproken/vastgelegd.

Deze vier nog komende verbeteringen gelden voor alle politiemedewerkers met een salaris. Ze werken ook allemaal door in de aanvullende werkgeversuitkeringen wegens ziekte.

Voor alle duidelijkheid: de afgesproken structurele salarisverbeteringen gelden dus niet voor de aspiranten die in hun eerste jaar een tegemoetkoming ontvangen. Dat bedrag is gekoppeld aan het studiefinancieringsstelsel van het ministerie van Onderwijs en zal op grond daarvan per 1  januari 2024 worden verhoogd met 10 procent.

Hoeveel procent loonsverhoging houdt de stijging van de schaalbedragen met € 100 per 1 juli 2024 in?

Onderdeel van het nieuwe afsprakenpakket is een nominale loonsverhoging vanaf 1 juli 2024 – dat wil zeggen: een blijvende verhoging van de salarissen met een concreet bedrag in plaats van een percentage. De afspraak is vanaf 1 juli 2024 een loonsverhoging door te voeren van € 100. Daaroverheen komt vervolgens meteen een procentuele loonsverhoging van 5 procent.

Deze combinatie draagt bij aan een solidaire cao, omdat een loonsverhoging met een concreet bedrag de koopkracht van de collega’s in lager betaalde functies relatief (= in procenten) meer verbetert dan de koopkracht van collega’s in een hoger betaalde functie. Voor een procentuele loonsverhoging geldt het omgekeerde.

Voor alle duidelijkheid enkele rekenvoorbeelden. Voor de salarisschalen 5 t/m 12 is de procentuele verhoging door de stijging van de salarissen met € 100 vanaf 1 juli 2024 als volgt. (Om misverstanden te voorkomen: de verhoging met € 100 geldt niet alleen voor de onderstaande maximumbedragen, maar voor alle bedragen in alle schalen.)

  • Het maximumbedrag van schaal 5 wordt € 3.500,99 --- een verbetering van 2,9 %
  • Het maximumbedrag van schaal 6 wordt € 3.636,98 --- een verbetering van 2,8 %
  • Het maximumbedrag van schaal 7 wordt € 3.925,31 --- een verbetering van 2,6 %
  • Het maximumbedrag van schaal 8 wordt € 4.421,40 --- een verbetering van 2,3 %
  • Het maximumbedrag van schaal 9 wordt € 4.814,24 --- een verbetering van 2,1 %
  • Het maximumbedrag van schaal 10 wordt € 5.227,23 –- een verbetering van 1,9 %
  • Het maximumbedrag van schaal 11 wordt € 5.881,97 –-- een verbetering van 1,7 %
  • Het maximumbedrag van schaal 12 wordt € 6.595,38 –- een verbetering van 1,5 %

Zoals gezegd komt daar vervolgens (direct) een procentuele verhoging van 5 procent overheen. Nemen we de schaalbedragen na de loonsverhoging met 2 procent op 1 januari 2024 als nulpunt (= 100 procent), dan leidt de combinatie van een loonsverhoging met € 100 en (daarna nog eens) een loonsverhoging met 5 procent tot de volgende gemiddeld procentuele loonsverhogingen vanaf 1 juli.

  • De maximumbedragen in de schalen 5, 6 en 7 liggen vanaf 1 juli 2024
    8 procent hoger dan op 1 januari 2024.
  • De maximumbedragen in de schalen 8 tot en met 12 liggen vanaf 1 juli 2024
    7 procent hoger dan op 1 januari 2024.

In januari 2025 volgt nogmaals een structurele loonsverhoging van 2 procent. Tot welke loonontwikkeling vanaf 1 januari 2024 leidt die maatregel?

  • De maximumbedragen in de schalen 5, 6 en 7 liggen vanaf 1 januari 2025
    10 procent hoger dan op 1 januari 2024.
  • De maximumbedragen in de schalen 8 tot en met 12 liggen vanaf 1 januari 2025
    9 procent hoger dan op 1 januari 2024. 
Wie hebben aanspraak op de eenmalige uitkeringen in de eerste helft van 2024?

Het nieuwe onderhandelaarsakkoord bevat naast afspraken over drie structurele (blijvende) salarisverbeteringen ook een afspraak over een eenmalige koopkrachtimpuls in de vorm van zes maandelijkse uitkeringen van januari tot en met juni 2024.

Afgesproken is dat deze uitkeringen leiden tot een bedrag van € 1.200 voor collega’s die op 1 januari 2024 een dienstverband van 36 uur hebben. Zij krijgen in principe dus zes keer € 200 uitbetaald. Daarbij gaat het - zoals altijd in cao-afspraken - om bruto bedragen.

Is je dienstverband op 1 januari 2024 meer of minder dan 36 uur? Dan worden het bedrag van € 1.200 en de daaruit voortvloeiende maandelijkse uitkeringen naar rato aangepast. Een collega met een 38-urige werkweek heeft dus aanspraak op € 1.266 in totaal en op een maandelijkse eenmalige uitkering van € 211.

De enige voorwaarde om voor deze eenmalige uitkeringen in aanmerking te komen is dat je in de maand van uitbetaling in dienst bent van de Nationale Politie. Ook alle aspiranten in hun eerste jaar kunnen dus een of meer van deze uitkeringen tegemoet zien - ongeacht of ze in dat jaar een tegemoetkoming of een salaris ontvangen.

Ben je in de eerste helft van 2024 met onbezoldigd buitengewoon verlof, dan heb je minder of helemaal geen aanspraak op deze eenmalige uitkeringen.

Gezien hun incidentele karakter leiden deze uitkeringen niet tot hogere aanvullingen van de werkgever op uitkeringen wegens ziekte. (De hoogte daarvan is namelijk exclusief gekoppeld aan het structurele beloningssysteem = de salarisschalen.)

Ik maak gebruik van de RVU (regeling vervroegde uittreding). Kom ik in aanmerking voor de maandelijkse uitkeringen van januari t/m juni 2024?

Nee, deze uitkeringen zijn uitsluitend bedoeld voor collega’s die gedurende deze maanden in dienst zijn van het korps. Vanaf het moment dat je RVU in gaat, ben je officieel met ontslag en heb je als gewezen ambtenaar geen aanspraak meer op deze extra beloning.

Welke nieuwe inkomensverbeteringen zijn er afgesproken voor aspiranten?

Eerstejaars aspiranten met een tegemoetkoming

  • Vanaf juli 2024 aanspraak op de onregelmatigheidstoeslag (ORT)
  • Van januari tot en met juni 2024 aanspraak op maandelijkse uitkeringen van € 211 bruto (dienstverband van 38 uur) voor zover ze in die maanden in dienst van het korps zijn.

Volledigheidshalve: de maandelijkse tegemoetkoming van deze aspiranten stijgt in januari 2024 met tien procent. Zij is niet gekoppeld aan de salarisafspraken in de politie-cao, maar aan het studiefinancieringsstelsel van het ministerie van Onderwijs en de bijbehorende indexatieregels.

Aspiranten met een salaris

  • Een verhoging van de schaalbedragen met € 100 vanaf 1 juli 2024.
  • Daaroverheen een verhoging van de salarissen met 5 procent vanaf 1 juli 2024.
  • Een verhoging van de salarissen met 2 procent vanaf 1 januari 2025.

Volledigheidshalve: deze salarisverhogingen volgen op de structurele salarisverbetering met 2 procent vanaf 1 januari 2024, die in de huidige cao al was afgesproken/vastgelegd.

  • Van januari tot en met juni 2024 aanspraak op maandelijkse uitkeringen van € 211 bruto (dienstverband van 38 uur) voor zover ze in die maanden in dienst van het korps zijn.
Waarom is niet ingezet op een hogere onregelmatigheidstoeslag (ORT) of op verlenging van de tijdelijke tegemoetkoming (flexbonus) van maximaal € 2.500 na 2024?

De insteek van de bonden bij deze onderhandelingen was zoveel mogelijk koopkrachtherstel voor iedereen te realiseren. Daar past het maken van speciale financiële afspraken voor doelgroepen en hun arbeidsvoorwaarden niet bij.

Tegelijkertijd is het zo dat sinds 2015 structurele salarisverhogingen automatisch leiden tot een verhoging van de ORT. Dat geldt trouwens ook voor de overwerkvergoeding, de piketvergoeding (consignatietoeslag) en ME-vergoeding.

Vanaf januari 2024 wordt de onregelmatigheidstoeslag dan ook verhoogd met 2 procent, per juli 2024 met 5 procent en per januari 2025 nog eens met 2 procent.

Vanaf 2025 komt de ORT daardoor uit op

  • € 5,04 per uur voor doordeweekse nachtdiensten en dagdiensten in het weekend;
  • € 7,56 voor nachtdiensten in het weekend.
Waarom zijn de bonden akkoord gegaan met de overstap op één onkostenvergoeding (€ 0,23 per km) voor zowel woon-werkverkeer als dienstreizen met eigen vervoer?

De huidige vergoedingstarieven bij gebruik van een eigen vervoermiddel zijn € 0,19 per kilometer voor woon-werkverkeer en € 0,28 per kilometer voor dienstreizen. De regeling voor woon-werkverkeer ligt onder het fiscaal vrijgestelde tarief van € 0,21 per kilometer. De regeling voor de dienstreizen ligt daar boven, waardoor zij relatief duur is en de werknemer er weinig van overhoudt.

Concreet ziet dit laatste er als volgt uit*.

  • In 2022 was de vergoeding voor dienstreizen € 0,28 per km: € 0,19 netto en € 0,09 bruto. Hier hield je na belasting en premies ongeveer € 0,23 cent netto aan over.
  • In 2023 is de vergoeding voor dienstreizen € 0,28 per km: € 0,21 netto en € 0,07 bruto. Hier houd je na belasting en premies ongeveer € 0,25 cent netto aan over.

*) De hoogte van belastingen en premies zijn per fiscaal jaar en per individu verschillend. We zijn bij bovenstaande berekening uitgegaan van een gemiddelde.

Nog dit jaar zal de overheid besluiten de fiscaal onbelaste vergoeding voor werkgerelateerd gebruik van eigen vervoer te verhogen naar € 0,23. De bonden zagen een kans om de km-vergoeding voor het woon-werkverkeer van politiemedewerkers vanaf 1 juli 2024 naar dat niveau mee te laten stijgen EN tegemoet te komen aan de wens van de werkgever om de administratieve lasten van het korps terug te dringen.

Het compromis was overstappen op één vergoedingstarief (vlaktarief) bij het gebruik van een eigen vervoermiddel voor zowel woon-werkverkeer als dienstreizen. Daarbij werd aan de ene kant een inkomstenbron aanzienlijk verbeterd (van € 0,19 naar € 0,23 NETTO per kilometer) en aan de andere kant afstand gedaan van een veel minder riante inkomstenbron (€ 0,28 per km, waarvan € 0,23 NETTO en € 0,05 BRUTO).

Die afspraak paste prima in het streven van de bonden om te werken aan zo veel mogelijk extra koopkracht voor zo veel mogelijk politiemedewerkers, aangezien veruit de meeste medewerkers meer woon-werkverkeer hebben dan dienstreizen maken.

Wel is nogmaals bevestigd dat medewerkers nooit verplicht kunnen worden voor een dienstreis eigen vervoer te gebruiken. Onveranderd blijft ook dat dienstreizen uitsluitend kunnen plaatsvinden in diensttijd.

Ik ben hondengeleider. Verlies ik door de lagere km-vergoeding bij dienstreizen deels mijn compensatie voor het gebruik van de eigen auto?

Nee, dat is niet het geval.

De meeste hondengeleiders moeten voor het vervoer van een diensthond van en naar het werk hun eigen auto gebruiken. Ter compensatie van de extra kosten die dat met zich meebrengt, mogen zij sinds jaar en dag voor hun woon-werkverkeer de kilometervergoeding voor dienstreizen met eigen vervoer declareren: € 0,28 per kilometer in plaats van € 0,19 per kilometer.

Een van de nieuwe cao-afspraken is dat het korps hetzelfde vergoedingstarief gaat hanteren voor alle reizen met een eigen vervoermiddel. Voor zowel woon-werkverkeer als dienstreizen gaat het vlaktarief van € 0,23 per kilometer gelden. Dit is een nettobedrag. 

Op zich een goed verdedigbare afspraak, maar wel eentje die voor veel hondengeleiders vervelend uitpakt. De verlaging van de kilometervergoeding bij dienstreizen betekent namelijk dat zij een groter deel van de vervoerskosten van hun diensthond (weer) zelf moeten gaan betalen. Om dat te voorkomen is de aanvullende afspraak gemaakt dat deze collega’s een verhoging van hun maandelijkse autovergoeding krijgen van € 20 NETTO per maand.

Ik krijg van de werkgever een aanvulling op een uitkering wegens ziekte (in dienst en uit dienst). Hoe pakken de nieuwe beloningsafspraken voor mij uit?

De drie afgesproken structurele salarisverbeteringen leiden in jouw geval tot een hogere aanvulling van de werkgever op je uitkering wegens ziekte, ongeacht of er nog sprake is van een dienstverband of niet. 

De verhogingen die doorwerken in de aanvullingen zijn:

  • Een verhoging van de schaalbedragen met € 100 vanaf 1 juli 2024.
  • Daaroverheen een verhoging van de salarissen met 5 procent vanaf 1 juli 2024.
  • Een verhoging van de salarissen met 2 procent vanaf 1 januari 2025.

Volledigheidshalve: deze salarisverhogingen volgen op de structurele salarisverbetering met 2 procent vanaf 1 januari 2024, die in de huidige cao al was afgesproken/vastgelegd.

De afgesproken eenmalige uitkeringen in de eerste helft van 2024 leiden niet tot hogere aanvullingen van de werkgever op uitkeringen wegens ziekte. De hoogte van de aanvullingen is exclusief gekoppeld aan het structurele beloningssysteem (= de salarisschalen) en wordt dus niet aangepast op basis van incidentele extra beloningen.

Ik ben (deels) arbeidsongeschikt en ontvang een WAO of WIA-uitkering. Welke gevolgen hebben de eenmalige uitkeringen in 2024 voor mij?

Ontvang je een WIA-uitkering, dan wordt die na ontvangst van een eenmalige extra uitbetaling door de werkgever eenmalig verlaagd. Je houdt dan ongeveer een derde van het extra bedrag over. Het leidt echter niet tot een structurele verlaging van je WIA-uitkering. 

Ontvang je een WAO-uitkering, dan zijn de (financiële) gevolgen erg afhankelijk van je individuele situatie. Naast een blijvende korting op je WAO-uitkering kan de ontvangst van eenmalige uitkeringen ongunstig uitpakken voor je invaliditeitspensioen of herplaatsingstoelage. Het korps heeft daar geen invloed op, het is landelijke regelgeving.

Om ongewenste blijvende effecten te voorkomen kunnen collega’s met een WAO-uitkering gebruikmaken van de optie om af te zien van de eenmalige uitkering van € 1.200 bruto, die in zes maandelijkse porties van € 200 wordt uitbetaald van januari tot en met juni 2024. Er is helaas geen algemeen advies te geven over nut en noodzaak van het benutten van deze door de werkgever geboden mogelijkheid.

Volledigheidshalve: de hierboven genoemde ongunstige gevolgen van de inrichting van ons sociale zekerheidsstelsel zijn niet te voorkomen. De uitkeringen zijn op grond van de cao voor alle medewerkers geregeld en daarin mag vervolgens geen onderscheid meer worden gemaakt.

Wat is precies het individuele keuzebudget (IKB) dat vanaf 2025 wordt ingevoerd? Krijg ik dan geen vakantiegeld en eindejaarsuitkering meer?

Vanaf 2025 krijgt elke politiemedewerker jaarlijks de beschikking over een individueel keuzebudget. Dat zal bestaan uit twee delen.

  • Budget 1: een bedrag dat wordt opgebouwd uit je maandelijkse opbouw aan vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en je bovenwettelijke verlofuren.
  • Budget 2: een door de werkgever beschikbaar gesteld bedrag van € 377.

Belangrijk verschil tussen beide bedragen: het eerste is BRUTO (hierover moet nog belasting worden betaald) en het tweede is NETTO.

Keuzebudget 1
Vanaf 2025 wordt je opbouw aan vakantiegeld en eindejaarsuitkering maandelijks in dit potje gestort, samen met je bovenwettelijke verlofuren. Elke maand bouw je daardoor een hoger persoonlijk budget op, tenzij je tussentijds besluit een deel op te nemen. De vaste uitbetaling van het vakantiegeld in mei en de eindejaarsuitkering in november wordt afgeschaft.

Er is afgesproken dat dit budget vanuit bestaande bronnen voor vakantiegeld, eindejaarsuitkering en bovenwettelijk verlof gevuld wordt, dus ontvang je uiteindelijk hetzelfde als nu het geval is. Voortaan kun je echter zelf kiezen wanneer je dit budget opneemt, hoeveel en op welke manier.

Naast uitkeren in geld zoals nu standaard gebeurt met het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering, kun je ook kiezen voor het opnemen van extra vrije tijd of een investering in doelen die - onder voorwaarden - door de Belastingdienst vrijgesteld zijn: studie, vakliteratuur en cursussen.

Je krijgt dus meer eigen regie op het moment van uitbetaling en de wijze van genieten van deze arbeidsvoorwaarden. Uiteraard kun je niet meer uitgeven dan het budget dat je op dat moment hebt opgebouwd. Maak je in de loop van het jaar geen bestedingskeuze, dan wordt het budget in december in één keer volledig uitbetaald. Heb je nog een deel van het budget over, dan wordt dat restant in december uitbetaald.

Keuzebudget 2
Vanaf 2025 kent de werkgever elke politiemedewerker jaarlijks een budget van € 377 toe.  Dit netto bedrag is opgebouwd uit het vitaliteitsbudget van €102 (waarde in 2025) en een toevoeging van € 275 die in de nieuwe cao is afgesproken.

Bonden en werkgever gaan nog met elkaar in gesprek over de exacte voorwaarden, maar je mag dit netto budget in ieder geval besteden aan vitaliteitsvoorzieningen, een fiets, verduurzamingsmaatregelen en je vakbondscontributie. Ook wordt het analoog aan de huidige fietsregeling mogelijk om maximaal vijf keer de waarde van het budget als voorschot op te nemen als je een duurdere aankoop wilt doen zoals fiets of warmtepomp.

Is dit budget aan het eind van het jaar niet of niet helemaal besteed, dan vervalt het resterende bedrag. Je kunt deze voorziening dus niet gebruiken als extra spaarpotje.

De exacte voorwaarden van het IKB worden in de eerste maanden (tot uiterlijk 1 mei) van 2024 uitgewerkt zodat het per 2025 werkzaam kan zijn.

Wat zijn inclusieve arbeidsvoorwaarden?

De bonden en de werkgever constateren dat de samenleving, de arbeidsmarkt en de politie meer divers zijn dan voorheen. Om een aantrekkelijke werkgever te blijven worden de arbeidsvoorwaarden daarop aangepast.

Om te beginnen worden zowel de teksten als de symbolen die gebruikt worden bij het afleggen van de ambtseed en -belofte gemoderniseerd.

Partijen gaan samen aan de slag om het in 2025 mogelijk te maken dat politiemedewerkers de optie krijgen om de huidige officiële feestdagen in te wisselen voor andere feestdagen naar eigen keuze. Het is de bedoeling dat politiemedewerkers bij inzet op zo'n andere, door hen gekozen feestdag recht krijgen op dezelfde hogere vergoeding als voor het werken op een officiële feestdag.

Tot slot komen er meer praktische mogelijkheden en voorzieningen om binnen de politie ook mensen met arbeidsbeperkingen te kunnen laten werken.

Hoe komt het dat voor het gemeentelijk personeel een gunstiger Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) geldt dan voor het politiepersoneel?

In het landelijk pensioenakkoord uit 2019 is afgesproken dat de overheid het voor werkgevers weer betaalbaar maakt om oudere werknemers een vroegpensioenuitkering te geven. Dat doet de overheid door een bepaalde groep vroegpensioenuitkeringen te vrijwaren van de fiscale opslag (lees: boete) van 52 procent die sinds 2011 geldt voor vroegpensioenuitkeringen.  

Landelijke (fiscale) ruimte
Het gaat om vroegpensioenuitkeringen tot een maximum bedrag dat is gekoppeld aan de netto-AOW en jaarlijks wordt herzien. In 2023 is het fiscaal vrijgestelde RVU-bedrag maximaal € 24.444. Dit bedrag moet in maandelijkse porties worden uitgekeerd (in 2023 maximaal € 2.037 per maand).

Hoeveel jaar komen oudere werknemers voor een fiscaal vrijgestelde RVU-uitkering in aanmerking? Dat is maximaal drie jaar – om precies te zijn de drie jaar voorafgaand aan hun AOW-gerechtigde leeftijd.

De afgesproken fiscale versoepeling is in eerste instantie tijdelijk. Zij geldt voor een periode van vijf jaar: van 2021 tot en met 2025. Hoe moet je dat praktisch zien? Tot 31 december 2025 kunnen werkgevers werknemers onder een sectorale RVU laten vallen. Daarna geldt een (fiscaal vrijgestelde) uitloopperiode van drie jaar – tot december 2028. In die fase is nieuwe instroom op basis van de tijdelijke regeling niet mogelijk.

De laatste werknemers die optimaal gebruik kunnen maken van de tijdelijke RVU-afspraken zijn dus degenen die op 31 december 2025 de leeftijd van 64 jaar bereiken. Zij komen vervolgens tot aan hun AOW-gerechtigde leeftijd van 67 jaar (= de maximale drie jaar) in aanmerking voor een maandelijkse RVU-uitkering

Sectorale onderhandelingen
Het bovenstaande zijn de landelijk afgesproken maximumbedragen en -termijnen. De werkgevers waren niet verplicht deze klakkeloos over te nemen. In hoeverre zij gebruik wilden maken van de geboden fiscale ruimte – lees: hoeveel geld er uiteindelijk in een vroegpensioenregeling werd gestopt – dat moest per sector worden bepaald in onderhandelingen tussen de werkgever en de bonden.

Voor het gemeentepersoneel is een RVU uit de bus gekomen die volledig gebruik maakt van de geboden fiscale ruimte en dus een (fiscaal vrijgestelde) uitloopperiode heeft tot en met 2028. In de RVU voor de politiesector is dat niet het geval.

De werkgever bleek niet bereid de maximale drie jaar fiscale ruimte te benutten. Hij vond dat hij de afgelopen twintig jaar al flink had geïnvesteerd (3,5 miljard) in de vroegpensioenopties voor de beoogde doelgroep (babyboomers). Dat was bovendien een erg grote groep en dan heb je het ook bij relatief bescheiden bedragen al meteen over een forse uitgaven.

Twee beperkende voorwaarden
De werkgever wilde niet verder gaan dan het goedmaken van het financiële nadeel dat deze collega’s hadden geleden door de verhoging van de AOW-leeftijd. Dat was een compensatie waarvoor hij nog niet eerder geld had uitgetrokken. Concreet was zijn aanbod een RVU-uitkering van maximaal twee keer het jaarbedrag dat fiscaal was vrijgesteld. Daarnaast wilde hij de doelgroep beperken tot de medewerkers die uiterlijk op 31 december 2025 de leeftijd van 65 jaar bereikten.

De bonden hebben zich tegen deze beperkingen verzet, maar de werkgever hield op beide punten (hoogte en looptijd) voet bij stuk. Uiteindelijk moet je dan als bonden je knopen tellen.

De werkgever heeft overigens wel ingestemd met de maximale uitkeringstermijn die in het pensioenakkoord wordt genoemd: drie jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd. Desgewenst kunnen politiemedewerkers het totale RVU-bedrag waar ze aanspraak op hebben dus over meer dan 24 maanden uitsmeren en daardoor desgewenst nog wat eerder stoppen met werken. Hun RVU-maandbedrag wordt dan uiteraard navenant lager.

Deadline 31 december 2025
Voor alle duidelijkheid: de tijdelijke RVU voor de medewerkers van gemeenten is dus inderdaad op twee punten inhoudelijk gunstiger: de maximale hoogte van de uitkering en de maximale uitlooptijd. Wat betreft de uiterste instroomdatum zijn de regelingen echter gelijk: op 31 december 2025 houdt de toegang tot deze tijdelijke voorziening op.  

Tijdens de onderhandelingen over de politie-cao 2022-2024 hebben de bonden al geprobeerd de voorwaarde van 65 jaar op uiterlijk 31 december 2025 van tafel te krijgen. Dat had ertoe kunnen leiden dat ook de collega’s die uiterlijk op die dag 64 jaar werden onder de tijdelijke regeling zouden vallen. Maar helaas: dat bleek (nog steeds) absoluut onbespreekbaar.

Daarom is het wachten nu op een politiek besluit over de opvolger van het huidige (tijdelijke) RVU-akkoord. Alleen op basis van nieuwe fiscale regelgeving kunnen de bonden en de werkgever gaan onderhandelen over een nieuwe (permanente?) RVU voor politiemensen die na 31 december 2025 de leeftijd van 64 of 65 jaar bereiken.

In de nieuwe cao is in ieder geval (opnieuw) de inspanningsverplichting vastgelegd hierover het overleg te openen zodra de politiek dat praktisch mogelijk maakt.